Strandbal

Op de slootkant aan de bosrand ligt een blauwe strandbal.
Al twee dagen ga ik eraan voorbij.

Het slootwater is bedekt met omgemaaid en weggewaaid gras.
Eerder was hier alles droog, dor en kaalgevreten.
Twee maanden na de grijsgele steppevorming,
Staan schapen stom te grazen op de groene dijk.

Al het indrukwekkende trekt zo aan ons voorbij.
Zoals een strandbal op de slootkant aan de bosrand.

Datum

’s Zondags zaten we nog op het bankje. Op maandag was hij overleden.
Het was goed daar, met z’n tweeën. In de zon. Even geen gedoe, niks regelen. Gewoon zitten, onder het zonnescherm, glas jus d’orange erbij. Hij droeg een joggingbroek en een trui, sloffen eronder. Tot een paar maanden daarvoor was hij nog naar de sportschool gegaan. Het was belangrijk je spieren actief te houden.
Nu had ik hem aan zijn arm ondersteund zodat hij de kleine afstap bij de voordeur naar het tuinpad kon maken zonder te vallen. Hij was broos. En blij.
Omdat de achteruitgang even stilstond, die dag. Omdat het mooi weer was. Omdat we elkaar weer begrepen.
Ik heb moeite de dag te onthouden dat hij voorgoed zijn ogen sloot.
Een betekenisloze datum voor de man die zo betekenisvol is geweest.
Die zondag was zo belangrijk omdat we in het staartje van zijn leven een behoorlijk verschil van inzicht hadden, papa en ik. ‘Je moet niet zo hard zijn voor me’.
Ik was als de dood voor zijn overlijden.
Hij was het waarop ik kon bouwen; mijn medearchitect en levensontwikkelaar.
Daarom konden we het ook oneens zijn. Ook al vond hij dat verschrikkelijk.
Hij had het me zelf geleerd.
De foto’s van onze jeugd heeft mijn broer opgeslagen op een externe harde schijf, die al tweeënhalf jaar onaangeraakt in mijn computertas zit. Om te voorkomen dat de tranen die zo nu en dan (vooral nu) mythische proporties ter grootte van de welbekende zondvloed aannemen.
Ik ben nog steeds dol op hem, mijn vader. Weergaloos trots.
Geen enkele datum kan ooit zijn overlijden markeren.

Eindelijk

Het heeft eindelijk geregend.
Deze ochtend hoefden de boeren
Hun akkers niet te sproeien.
Nu is het grijs en windstil
Het onweer is nabij.
De donder die losbarst
Als opgekropte woede van afgelopen tijd.
Het land schreeuwde om water
Kreeg het; na lang gezeur.
Kristalhelder, in loodrechte stromen
En wij die buiten waren,
Trokken naar binnen en sloten de deur.

Op weg

Het was zo onbeschrijflijk mooi
Vanochtend op de fiets.
Aangenaam fris, grijs wolkendek
Helder zicht, voorbijtrekkend geluid:
Een klank uit een telefoon,
Wegstervende stemmen
Vader samen met zijn kind.
Een hond uitbundig rollend in het gras,
Drie kinderen als jonge eendjes achter elkaar aan.
Een jogger, een kreupele met stok
Auto’s die geluidloos lijken.

Ik had nog uren kunnen rijden
Op weg naar niets.
Het was zo onbeschrijflijk mooi,
Vanochtend op de fiets.

Mozes-mandje

Als een modern Mozes-mandje dobberde het fruitkistje door de gracht.
Op blank hout was een feloranje sinaasappel met groene blaadjes getekend.
Het zag er heel uitnodigend uit, zoals ook was bedoeld.
Trots pronkend met vorm en kleuren, droomde het van succes.

In de overvolle stad had niemand aandacht voor het lege kistje.
Teleurgesteld dobberde het verder en raakte aan lager wal.
Meerkoeten hebben er hun familiehuis van gemaakt.
Het paste precies bij hun wensen.

Het kistje zuchtte onder de last die het moest dragen.
Er lag dan wel een baby in, nooit zou het zo beroemd worden als de gevlochten versie.
Het idee en de uitvoering ervan was te weinig verrassend.
Langzaam zonk de moed en daarna het kistje.
Ten onder gegaan aan torenhoge ambities.